SWAAB (MARION/MAP)
Marion ('Map') Swaab (Zaandam, 11-7-1942)1
Marion kwam als baby terecht bij de weduwe Geertruida ('Geertje') Pel-Groot. De moeder van het meisje zat in een concentratiekamp en haar vader was naar Zwitserland gevlucht.
Doopsgezind
Het echtpaar Pel woonde aan de Prins Hendrikstraat 139 en had vier kinderen. Geertje Pel was met haar man Wijbrand, een ouwelfabrikant, lid van de Zaandamse Werkgemeenschap van Quakers en Doopsgezinden (WQD), die op 20 maart 1940 onder leiding van Cor Inja* was opgericht. De werkgroep besloot na het bombardement op Rotterdam (14 mei 1940) hulp te verlenen. De opgehaalde goederen, huisraad en kleding ter waarde van 2500 gulden werden opgeslagen in de fabrieksruimte die Wijbrand Pel beschikbaar stelde. Daarna regelde de groep opvang voor Rotterdamse kinderen. Later maakte men pakketten voor de joodse vluchtelingen in kamp Westerbork, dat toen nog onder Nederlandse leiding stond.
Joden
Het echtpaar heeft altijd 'erg meegeleefd', zo schreef Inja later in zijn dagboek, 'met het grote onrecht aan Joodse medeburgers aangedaan'.2 Hoe ver de identificatie met het joodse volk voor Wijbrand Pel ging, mag blijken uit de woorden die hij zou hebben uitgesproken op zijn sterfbed, in 1941: "Geert, de poorten van de concentratiekampen gaan voor me open."3 Dat Geertje een joodse baby in haar huis opnam, lag voor de hand. Het kindje heette Marion, maar werd 'Map' genoemd.
Ontdekt
Schuin tegenover het gezin Pel in de Prins Hendrikstraat woonde op nummer 130 politieman Hendrik van der Kraan. Hij was werkzaam bij het bureau Joodsche Zaken van de Sicherheitsdienst in Amsterdam en een berucht jodenjager (zie Diana Blits* en Iris Eisendrath*). Hij was degene door wie het onderduikadres bekend werd. Dat vertelde na de oorlog ook inspecteur Tonny Jansen (Zandvoort, 5-2-1916) tegen de politiemensen die proces-verbaal tegen hem opmaakten. Van der Kraan was ook zelf bij het gezin Pel geweest en had met een dochter over het 'Jodenkindje' gepraat. Jansen meende dat de opdracht om Geertruida Pel op te roepen van commissaris W.G. Ragut kwam, die mede in dienst was van de SD. Zelf zou Jansen het gezin gewaarschuwd hebben. In februari 1944 werd Geertruida Pel-Groot gesommeerd om met het kindje op het bureau van de Sicherheitsdienst te verschijnen.
Ontsnapt
"Zichtbaar voor iedereen, die wenste te kijken, verliet mevr. Pel haar woning met in een kinderwagen de baby en in gezelschap van haar dochter Trijntje. (....) Moeder, dochter en baby gingen het Skagerrak op om aan de Notenlaan [in het Vissershop] op de Zaandammerboot te stappen. Dat was althans de opzet voor de buitenwacht. Want op de Zuiddijk nam de moeder afscheid van haar dochter, gaf haar de kinderwagen en de baby mee en ging alleen naar Amsterdam."4 Dochter Trijntje wandelde met Marion in de wagen naar Koog aan de Zaan. Daar wilde ze de baby onderbrengen bij kennissen. Maar in dat gezin was al een joods kind opgenomen. Trijntje liep vervolgens terug naar Zaandam en bracht Marion voor meerdere maanden onder bij een oom en tante aan de Westzanerdijk 143, het echtpaar Keijzer. Tegen het einde van de oorlog vond Marion onderdak bij de familie Brand in de Amsterdamse Jordaan.
Inja
Cor Inja, in januari 1942 met zijn joodse echtgenote uit Zaandam verdreven en zeer actief in het doopsgezinde verzet, beschreef in zijn naoorlogse dagboek het bezoek dat 'Moeder Pel' voor haar gang naar de Sicherheitsdienst aan hem bracht: "Haar plan was om alleen te gaan, zonder Map. Ik zei dat is onzin, kom maar hier. Er is altijd ergens plaats voor je. Moeder Pel wilde dit niet. Door onder te duiken bracht ze andere mensen in gevaar. Ze was niet te bewegen om dit plan te laten varen. (...) Map echter moest worden gered. Ze zou dus Trijn, haar dochter, naar me toe sturen met Map. Ik schakelde Marjan van Geuns in. Een afspraak werd gemaakt en Map leeft nu nog en heeft een paar kinderen." De verhouding tussen dit verhaal en het Zaanse relaas is niet geheel duidelijk. Inja noemt zijn gesprek met Geertje Pel 'een ommekeer in ons werk'.
Geertje
Geertje ging naar de Amsterdamse Euterpestraat en vervolgens naar het hoofdbureau van politie op de Marnixstraat. Daarna -zo reconstrueerde Groep 2000, waarvan Inja lid was- volgde de gang naar de vrouwenstrafgevangenis in Rotterdam en vervolgens kamp Vught. De kinderen Pel hadden gehoord dat hun moeder daar een goede kans maakte om vrij te komen. Dolle Dinsdag (5 september 1944) zou de oorzaak zijn geweest van het feit dat zij werd doorgestuurd naar Duitsland. Ze kwam terecht in het vrouwenkamp Ravensbrück. Tine Duvidier (van de Groep 2000 en helpster van Inja's joodse schoonmoeder) maakte Geertje Pel daar mee. Geertje sprak anderen steeds moed in en wees hen op de naderende bevrijding. In februari 1945 kreeg ze bericht dat ze zou worden overgeplaatst. Dat betekende echter dat ze de gaskamer tegemoet ging. Haar kampgenoten raadden haar aan de mogelijkheid te benutten om in het kamp onder te duiken. Ze gaf hetzelfde antwoord als in februari 1944 aan Cor Inja: "'Neen, dat doe ik niet, dan breng ik andere mensenlevens in gevaar.' (...) Ze was solidair tot in de dood net als haar man bij diens overlijden."5 Geertruida Pel-Groot werd op 20 februari 1945 in de gaskamer van Ravensbrück om het leven gebracht.
Vervolg
Marion overleefde de oorlog, evenals haar ouders. Het gezin Swaab emigreerde naar de Verenigde Staten.
1 H8a; De Typhoon, 4-5-1965; Dagboek Cor Inja, Gemeentearchief Amsterdam; Herdenkingsmonumenten in Zaanstad 1940-1945; www.oorlogsmonumenten.nl
2 Dagboek Cor Inja, toegangsnummer 1198, inventarisnummer 502 (p. 12, 23-24)
3 Ibidem
4 De Typhoon, 4-5-1965
5 Dagboek Cor Inja (p. 24)