Zaandam > Buitenlandse jood van de evacuatie op 19 januari 1942

KAPLAN (OTTO)


Echtpaar Otto Kaplan (Keulen, 8-12-1902)1

 

De echtgenote van Otto was Anna Maria Philipsen (Mönchen-Gladbach, 18-7-1908). Anna was niet-joods ofwel 'ARIERIN'. Deze typografie stamt van de politielijst (7 maart 1942). Als het gezinshoofd joods was, werden de echtgenote en eventuele kinderen in principe ook op de lijst gezet.

 

Winkelier

Otto was stateloos en had als beroep winkelier. In 1937 heet hij op de gezinskaart koopman, Israëlitisch en vreemdeling ('verm. Duits'). Otto was gescheiden van Irma Hirschhahn. Hij was een broer van Rudolf* en Walter Kaplan*. Het echtpaar verhuisde na enige tijd naar de Hoogendijk 150. Otto Kaplan was toen speelgoedwinkelier. Volgens het gemeentelijk adresboek van 1941 was zijn zaak gevestigd aan de Nicolaasstraat 5aa.

 

Oorlog

Als ondernemer maakte hij dezelfde onteigeningsprocedures mee als allen die zich in oktober 1940 als 'joodse onderneming' via de Kamer van Koophandel bij de Wirtschaftsprüfstelle moesten laten registreren. Voor Duitse joden kwam daarbij dat zij door de toepassing van het Reichsbürgergesetz op 25 november 1941 van hun vermogen werden beroofd en dat hun nationaliteit vervallen werd verklaard.

 

Radio

Toen de joodse bevolking begin 1941 hun radio's moest inleveren, besloten de Kaplans hun toestel te verkopen. Het belandde bij een radiohandelaar in Koog aan de Zaan. Deze handelaar werd in 1943 bij de Duitse autoriteiten op het matje geroepen, omdat hij betrapt was op het handelen in radio's die van Zaanse joden waren overgenomen. 

 

Onderduik

Otto was een van de vier Zaanse joden die voor het gedwongen vertrek onderdoken. De anderen waren ook Duitse vluchtelingen: Anton Fränkel*, Ludwig Kunz* en Harry Pollak*. Hij was de enige gehuwde van de groep. Als gemengd gehuwde had hij achteraf gezien niet hoeven onderduiken. Maar hij was dan mogelijk wel met zijn vrouw naar Westerbork gestuurd, zoals ook de meeste andere kinderloze, gemengd gehuwden uit Zaandam van wie het gezinshoofd joods en vreemdeling was.

 

Takkenberg

Otto dook in eerste instantie onder in de hoofdstad, aan de Stroomarkt 13. Het Nationaal Steunfonds, in de persoon van Zaandammer Willem Hart, zorgde dat Kaplan en zijn echtgenote maandelijks 175 gulden ontvingen om te voorzien in het levensonderhoud. In Amsterdam sprak Otto Kaplan in het huis van een vriend, de joodse marktkoopman Gerrit Sluijter*, met Johannes Hendrik ('Jo') Takkenberg. Ze kenden elkaar als buren; Jo woonde namelijk op de Hoogendijk 152. Volgens de Nederlandse editie van de Encyclopedia of the Righteous among the Nations 'ontfermde' Johannes Hendrik Takkenberg zich over het echtpaar Kaplan-Philipsen. Het is onduidelijk wat dit betekent. In de eerdere, Engelse uitgave wordt nog gesproken over het vinden van een 'shelter', een schuilplaats. 

 

Vervolg

Otto Kaplan overleefde de oorlog. Gerrit Sluijter*, diens vrouw Marianne* en hun dochter Sofia* kwamen om in het vernietigingskamp. Kaplan kwam terug naar Zaandam. Uit een schade-enquêteformulier van november 1958 blijkt dat hij tot 4 juni 1945 op de Hoogendijk 150 stond ingeschreven. In november 1945 verhuisde hij naar de Czaar Peterstraat 30. Op 10 juni 1949 emigreerde hij met zijn vrouw naar New York. Datzelfde deden Walter Kaplan en Erna Suschny*.

1 Aufstellung nr. 28 (Stateloos - 2 pers.); Evacuatierapporten; Formulier Hausraterfassung; Dossier Omnia Treuhand; H9; Gezinskaart; Gemeentearchief Westerbork; www.joodsmonument.nl; Rechtvaardigen onder de Volkeren; Mededelingen van B. Sluijter uit Almere (november 2006); NIOD-archief 251a, inventarisnummer 23b


Laatste bewerkingsdatum: 2010-08-31


Zaandam 1940

 

19 januari 1942

Als rechercheur Folkert Brandsma op 19 januari 1942 het adres Hoogendijk 150 controleert, is er niemand. Hij rapporteert: "Woning van Otto Kaplan en echtgenote reeds verlaten. Voordeursleutels meegenomen, deur verzegeld." Het echtpaar heeft dus geen inventarislijst gemaakt en het huis opengelaten, met de sleutels op tafel. Bij de overzichten van de al of niet vertrokken buitenlandse joden die eind januari en midden februari worden gemaakt, staat voor Otto Kaplan steeds 'spurlos'. Op de burgemeesterslijst van 7 maart komt echter, voor het eerst, de naam van de 'arische' Anna Maria Philipsen voor. Zij verblijft officieel nog op het oude adres in Zaandam en heeft als gemengd gehuwde recht op de meubels.

 

Inbraak

Eind mei 1942 wordt er in de woning ingebroken. Buurman J. Takkenberg heeft er jongens gezien. Dat gebeurt in die tijd bij meer joodse huishoudens. Een politieman2 komt met de sleutels naar het pand. Hij sluit de opengebroken voordeur zo goed mogelijk af, schuift een grendel voor de achterdeur en laat het slot van de achterdeur maken. Verbeurd verklaarde spullen mogen niet door kinderen worden gestolen.

 

Inboedel

De waarde van de inboedel wordt op 21 april niet opgeëist door de Zentralstelle. Wel komt de Hausraterfassung langs. Een 3 juni 1942 gedateerd, rood Abnahmeverzeichnis maakt duidelijk dat er een inventarislijst van de inboedel is gemaakt. De ambtenaar treft een aantal spullen niet aan, waaronder 'ein Damenhut'. Hij schrijft dat andere zaken blijven staan: "Küchengerät, 1 Matratzen (alt), Strumpfe, Bilder." Het lijkt erop dat Anna Philipson eigen spullen in de woning heeft en het deel van de inboedel dat men tot het bezit van Otto rekende wordt weggehaald. De totale waarde bedraagt 122 gulden.

 

Winkel

Van Omnia Treuhand is een dossier bewaard gebleven over de winkel van Otto Kaplan. Het dateert van maart 1944. Aan de Wirtschaftsprüfstelle in Arnhem wordt gerapporteerd over de pogingen vanaf 2 november 1943 om het 'Ladengeschäft in Bazarartikeln (sehr klein)', nu gevestigd op de Nicolaasstraat 5a, te liquideren. Dat mislukt. "Liquidation war nicht durchzuführen. Kein Geld, keine Waren, Räume volständig leer." Bij gebrek aan materiaal kan hier niet worden geplunderd.

 

 

2 GAZ, SA Zaandam 175