RIDDER, DE-SAMSON (SOPHIA)
Gezin Sophia Erna de Ridder-Samson (Rotterdam, 6-7-1912)1
Sophia's niet-joodse man wordt niet genoemd in de politienotitie over 'arische' wederhelften. Er is geen gezinskaart; het gezin zal pas na begin 1939 naar Zaandam zijn gekomen. Uit het aantal genoteerde personen op de aanvullende lijst kan men afleiden dat het echtpaar een kind had.
Artillerie-Inrichtingen
Het echtpaar De Ridder betrok een woning aan de Havenstraat 107. Dit adres zegt iets over het beroep van de heer De Ridder. De woning was eigendom van de Staat (de Dienst Domeinen), en lag naast het terrein van de staatswapenfabriek Artillerie-Inrichtingen (het latere Eurometaal). Men mag aannemen dat De Ridder bij de A.I. werkte. Juist in de jaren 1938-'39 breidde het bedrijf sterk uit. Tijdens de oorlog werd door directeur F.Q. den Hollander op allerlei manieren verzet gestimuleerd en georganiseerd.2 Het is zeer waarschijnlijk dat zijn werknemer De Ridder en joodse echtgenote door het bedrijf tijdens de verplichte 'evacuatie' werden gesteund en van nuttige informatie voorzien.
Vrijstelling?
Een aanknopingspunt voor vrijstelling van Sophia's echtgenoot stond in de Tweede Nota betreffende de 'evacuaties', op 31 maart 1942 gepresenteerd door adjunct-directeur J. Brandon van de Joodsche Raad.3 Hierin werd als laatste punt vastgelegd dat men zich voor een aanvraag tot vrijstelling vanwege bedrijfsbelang kon wenden tot de Rüstungsinspektion in Den Haag. De meeste kans, zo merkte Brandon op, had men als de aanvraag door een niet-joodse werkgever of Verwalter werd gedaan. De Artillerie-Inrichtingen, sinds 1941 gesplitst in een geprivatiseerd civiel deel (met 1170 werknemers) en een oorlogsdeel 'in liquidatie' (855 werknemers) had geen joodse directie. De Artillerie-Inrichtingen waren zeker van belang voor de oorlogsvoering. Zie ook Polak & Schwarz*.
Het gezin De Ridder is in januari-februari 1942 niet naar een Amsterdamse jodenbuurt gegaan. Of zij ook in de tijd daarna in hun huis konden blijven wonen is niet bekend. Het kreeg wel te maken met veel discriminerende bepalingen betreffende gemengd gehuwden. Het gezin overleefde de oorlog.
1 Weitere Aufstellung nr. 14 (3 pers.); Evacuatierapporten
2 Nägele, H. en Schaap, D. Geen oorlog geen munitie. De geschiedenis van 300 jaar militaire produktie (p. 88-97)
3 NIOD, dossier 182-12d
17 januari 1942
Op het briefje van agent-rechercheur Hendrik van der Kraan staan op 17 januari 1942 negen namen. De laatste vier zijn in de Havenbuurt. Drie daarvan behoren toe aan gemengd gehuwden. Over twee van hen rapporteert de politieman niet. Vermoedelijk is op dat tijdstip het bericht over hun uitstel van vertrek naar Amsterdam al doorgekomen. Bij het gezin De Ridder weet hij daar kennelijk nog niets van. De Ridder zelf weet het wel. Als de politieman aanbelt, wordt hem gezegd: "Wij hebben van niemand opdracht ontvangen om te evacueren." De rechercheur rapporteert vervolgens: "Ze hebben dus in het geheel niets gereed gemaakt tot vertrek." Van der Kraan concludeert: "De Ridder is vermoedelijk Arisch, zodat de maatregel op zijn gezin niet van toepassing zal zijn." Het echtpaar krijgt desondanks op 27 januari van politiecollega M. de aanzegging voor 1 februari de gemeente te verlaten en zich te vervoegen bij de Joodsche Raad aan de Nieuwe Keizersgracht 58 in Amsterdam.
Dat doen zij niet. Hun naam staat op de lijst van 'nicht evakuierten Niederländischen juden' van begin februari 1942. Midden februari maakt de politie een (voorlopig) laatste ronde. Een niet bij naam genoemde politieman rapporteert nu dat de man, 'infolge Befehl SS' hier kan blijven. In de Duitse versie staat dat de joodse echtgenote, hoewel momenteel ziek, 'wenn möglich nach Amsterdam transportiert werden muss'. In de Nederlandse versie staat: "Vrouw naar Amsterdam, behalve dat zij ziek is." Door het bedrijfsbelang bij de man en de 'ziekte' van de vrouw lijkt de 'evacuatie'-maatregel onschadelijk te zijn gemaakt.