Zaandam > Buitenlandse jood van de evacuatie op 19 januari 1942

LOEWENSTEIN (ARTHUR)


Echtpaar Arthur Loewenstein (Woldenberg, 26-4-1889)1

 

Woldenberg is de Duitse naam voor het sinds 1945 Poolse Dobiegniew. Het ligt tussen Stettin en Poznan. Arthur was de man van Margaretha Elisabeth Luise Beilicke (Brunswijk, 23-5-1898). Margaretha wordt vermeld op een politienotitie met 'arische partners' die deel uitmaakt van de evacuatierapporten. Het echtpaar Loewenstein-Beilicke woonde op de voorname Bootenmakersstraat, op nummer 74. Arthur was Duitser en koopman. Zijn naam komt voor op de bedrijvenlijst.

 

Joods huispersoneel

Loewenstein zal dezelfde anti-joodse en anti-Duitse maatregelen hebben ondergaan als de andere Duits-joodse zakenlieden (zie bijvoorbeeld Ferdinand Jäger*). Vanaf 1 januari 1942 werd een nieuw verbod voor joodse huishoudens van kracht: zij mochten geen 'arisch' huispersoneel meer in dienst hebben. Het echtpaar Loewenstein had blijkbaar een niet-joodse werkster. Het adverteerde op 12 december 1941 in het Joodsche Weekblad en vroeg om een werkster die tweemaal per week kon komen. In de kleine joodse gemeenschap van Zaandam was weinig personeel te vinden, zodat het reisgeld vergoed werd. Op 19 januari 1942 kwam er echter het verbod voor joden om nog langer in Zaandam te wonen.

 

Vervolg

Arthur en Margaretha Loewenstein vonden onderdak in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Het echtpaar overleefde de oorlog en jodenvervolging.

1 Aufstellung nr. 49 (Duits - 2 pers.); Evacuatierapporten; Mutaties politie 'Joden' (1941-1942); Het Joodsche Weekblad (12-12-1941)

 


Laatste bewerkingsdatum: 2009-08-25


Zaandam 1940

 

19 januari 1942

De naam A. Loewenstein staat niet op een van de politiebriefjes van 19 januari 1942, zoals dat bij meer personen in zijstraten van de Westzijde het geval is. Maar hij komt eind januari wel voor op de lijst met nog niet geëvacueerden. Er is geen sprake van uitstel wegens ziekte. De lijst verwijst naar het echtpaar Lindenberg-Katz* (waar het gezinshoofd echter niet-joods is) en de uitzondering die de SS-leider Lages voor hen heeft gemaakt. Evenals Alice Lindenberg hoeft ook Artur Loewenstein met zijn partner niet naar Westerbork.

Uitzondering

Het is onduidelijk waarom het echtpaar niet zoals eveneens kinderloze, gemengd gehuwde buitenlandse echtparen met een joods gezinshoofd, Beigel*, Gottschalk* en Krieg* naar Westerbork werd gestuurd. De aard van Loewensteins bedrijf kan van invloed zijn geweest. We kennen dit bedrijf niet. In het rapport van politieman M., die op 27 januari aan twaalf achtergeblevenen laat weten dat zij voor 1 februari Zaandam moeten hebben verlaten, hoort Arthur Loewenstein bij een groep van zeven Nederlandse joden die naar een Amsterdamse jodenbuurt moeten. In begeleidende aantekeningen wordt het echtpaar gelijk gesteld met de gemengd gehuwde Duitse vrouwen die van meet af aan hun meubels mogen meenemen. Op 2 februari 1942 controleert rechercheur H. of de gesommeerden daadwerkelijk weg zijn. Over 'Löwenstein' rapporteert hij: "Het perceel is verlaten. Tegenwoordig adres: Zuider Amstellaan 121 A." Op een eerdere politiemutatie is melding gemaakt van de 'emigratie' van A. Loewenstein. Bedoeld zal zijn de datum van de gedwongen verhuizing naar Amsterdam, waarvan Arthur de autoriteiten volgens voorschrift in kennis had gesteld.

Het bedrijf is niet veilig voor de Duitsers. Op een politiemutatie uit het voorjaar van 1942 is genoteerd dat een balans van A. Loewenstein is toegestuurd aan Carl Otto Ullrich, de liquidator van veel joodse zaken in de Zaanstreek.