Zaandam > Buitenlandse jood van de evacuatie op 19 januari 1942

POPPERT (ERICH)


Gezin Erich Karl Poppert (Dortmund, 20-4-1912)1 en Hertha Poppert-Speier (Fritzlar, 11-11-1913) met Sonja Selma (Zaandam, 17-2-1935)

 

Erich Poppert was eigenaar van dameshoedenfabriek E.C. Poppert & Co, gesticht op 1 september 1933. Erich was een jaar eerder met zijn latere vrouw Hertha naar Nederland gekomen en verwierf daar een Nederlands paspoort. Hertha werd geboren uit Duits-joodse ouders -vader was veehandelaar-, maar bezocht in haar tienerjaren een rooms-katholieke school. Op haar 15de ging ze in de dameshoedenzaak van een oom in Bochum werken. In die plaats leerde ze ook haar toekomstige man kennen.

 

Religie

Op 2 augustus 1934 trouwde het stel in de Zaandamse synagoge. Een jaar later werd dochter Sonja geboren. Hertha voedde haar dochter katholiek op en had veel contact met kapelaan W.J.A. Mulder van de Bonifatius-parochie (1932-1940).2 Hertha droeg altijd een kruisje om haar hals. Het gezin gold voor de Duitse wetten echter als joods.

 

Adressen

De eerste woning van het echtpaar Poppert was in de Beethovenstraat 13. "Dat was net een nieuwe buurt, de woningen stonden daar leeg, en daar kon je dus makkelijk aan een woning komen", aldus Saul Smit*.3 Hij was volkshuisvestingsambtenaar en werkte samen met het Joods Crisis Comité, dat de eerste Duits-joodse vluchtelingen hulp bood. In 1942 woonden er dan ook twaalf buitenlandse gezinshoofden op de Beethovenstraat. Het gezin Poppert woonde daarna op het Rustenburg 118. Er ontstond vriendschap tussen Sonja en de latere tv-omroepster/journaliste Ageeth Scherphuis, die in dezelfde straat woonde.4 In 1938 verhuisden de Popperts naar een groot hoekhuis in de deftige Bootenmakersstraat 68.

 

Dameshoeden

Uit het boek '50 Jaren Zaanstreek (en nog ver daarvoor)': "Het was november 1932, toen de Heer E.C. Poppert, bijgestaan door zijn echtgenote, in een door hem gehuurd lokaal van een oude school aan de Ged. Gracht te Zaandam een viltcloche op een oude pedaal zette en daarmee de dameshoed fabriceerde, die als eerste van ontelbare, vervaardigd door Fa. E.C. Poppert & Co., zijn weg door de wereld zou vinden." Zijn verloofde en latere echtgenote Hertha hielp hem bij zijn werkzaamheden. De werkplaats verhuisde in 1936 naar een groter gebouw aan de Vinkenstraat 1a, tegenover het politiebureau. Toen Poppert in februari/ maart 1938 een grote vestiging in de Bootenmakersstraat begon, namen drie leden van de Duits-joodse vluchtelingenfamilie Jäger* de plek aan de Vinkenstraat over. In de Bootenmakersstraat groeide de almaar uitbreidende onderneming uit tot een van de grootste op zijn gebied in Nederland.

 

Personeel

Er was in de Bootenmakersstraat sprake van veel seizoensarbeid. Bij pieken in de productie kwamen er meisjes uit Amsterdam. Een groot deel van de personeelsleden woonde in de Zaanstreek. Er waren relatief veel joodse medewerkers, zoals Lopez Cardozo6, de vluchtelingen Nandor Pollak* (die tot februari 1940 bedrijfsleider was), Hans Josef Bernstein* (lange tijd chef van de afdeling stoffen hoeden), en de halfjoodse 'Pietje' Keijzer*. Er werden vanaf 1938 twee kleinere bedrijven van Duits-joodse vluchtelingen in Zaandam opgericht die eveneens dameshoeden maakten: Pilima van het echtpaar Pilichowski-Abraham* en Walter Abraham* en het atelier van het Duitse echtpaar Krieg*.

 

Bedrijfsresultaten

De balans van 1939 liet afgerond een jaaromzet zien van 262.000 gulden. Dat was bijna een verviervoudiging ten opzichte van de omzet van 1936, die op 72.000 gulden lag. De activa van het bedrijf werden in 1939 op 142.400 gulden berekend. De waarde van de goederen bedroeg 79.000 gulden. Het aantal personeelsleden stond op 80. De kapitaaldeelname van eigenaar E.C. Poppert werd vastgesteld op 102.000 gulden. In september 1939 begon Poppert in datzelfde pand met Alfred Michaelis Salomon (Straatsburg, 27-6-1878, overleden in Bergen-Belsen op 1-2-1945) de Zaanlandsche Confectie-Industrie. Voor deze firma werden onder meer rokken en legeruniformen gemaakt. Het bedrijf maakte ook hoeden voor het Leger des Heils.7 Omdat de fabriek het goed deed, kon Poppert huizen kopen op diverse plaatsen, waaronder de Oostzijde. Na de oorlog werden die verhuurd door Hertha Poppert.

 

10 mei 1940

In de late avond van 10 mei 19408 was Erich Poppert met enkele medewerkers op de terugweg van een levering van militaire uniformen in Amsterdam. Er werden ongetwijfeld extra manschappen gemobiliseerd. Rond middernacht kwam de auto, bewaakt door een militair geleide, via de pont bij de Hembrug terug naar Zaandam. Twee militairen die de weg bewaakten dachten misschien dat een Duits konvooi Zaandam aanviel en begonnen te schieten. Ze raakten de auto van Poppert acht keer en troffen een militair die bij Poppert in de auto zat in zijn been. De directeur en zijn medewerkers - vertegenwoordiger Wycher Riensema en chauffeur Dirk Groot- bleven ongedeerd. De schietende militairen werden van hun post gehaald en de Zaandamse politie stelde een onderzoek in. Onder het personeel deed een versie de ronde waarbij de wagen door Engelse vliegtuigen was beschoten.

 

Oorlog

Erich Poppert nam risico's. Volgens oud-medewerker Gerard Klitsie maakte Poppert soms gebruik van het 'arische' identiteitsbewijs van Willem Westra, een van zijn werknemers. Die had ook donker haar. De verwisseling werd echter ontdekt en Westra belandde in de cel. Op 26 en 27 februari 1941 deed het bedrijf met alle 82 personeelsleden mee aan de Februaristaking.

 

Winsten

In 1941 waren de activa volgens accountant Van der Kleij bijna driemaal zo hoog als in 1939: 416.000 gulden. Het deelnemende kapitaal van Poppert verdubbelde tot 215.000 gulden. Daarvan had de eigenaar in 1940-1941 bijna 80.000 gulden privé opgenomen. Het bedrijf leek te profiteren van de oorlog.

 

Verwalter

In maart 1941 kwam de maatregel dat joodse ondernemingen moesten worden 'geariseerd'. Dameshoedenfabriek E.C. Poppert kreeg in augustus een Zaanse Treuhändler of Verwalter. Het was de bekende Zaandamse fascist, tevens NSB-lid, Dirk Kroonenberg. De aanstelling was getuige zijn Bestellungsurkunde op 6 augustus 1941.9 Zijn vergoeding werd vastgesteld op 2500 gulden per maand. Kroonenberg bereidde de feitelijke verkoop voor. Die vond pas plaats in september 1942, maar dat gebeurde wel met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1942.

 

Huishoudster

Per 1 januari 1942 was het joden verboden om nog langer niet-joods huishoudelijk personeel te hebben. Het leidde tot een vloedgolf aan personeelsadvertenties in het Joodsche Weekblad. Ook Hertha Poppert, zich er niet van bewust dat ze twee maanden later haar woning moest verlaten, plaatste op 5 december een advertentie. Ze zocht 'voor direct of 1 Jan. goede hulp in de huish. v.d.e.n. [voor dag en nacht] mod. huis, klein gezin'. Of ze succes had is onbekend. Op 14 en 15 januari plaatste 'E.C. Poppert & Co' nog advertenties in het Dagblad voor Noordholland waarin 'voor direct' 14-18 jaar oude machinenaaisters en handwerksters werden gevraagd. De aankondiging dat Zaandam enkele dagen later 'jodenvrij' moest zijn was toen net bekendgemaakt. 

 

Amsterdam

Het gezin Poppert was het enige dat al vóór de feitelijke jodenevacuatie, vijf dagen eerder en legaal, uit Zaandam was vertrokken. Dat kan niet zijn gebeurd zonder toestemming en medewerking van de autoriteiten. Men ging wonen op de Haringvlietstraat 41 in Amsterdam. De ouders en zuster van Erich, die in Zaandam bij hen inwoonden, deden dat eveneens. In dezelfde straat woonde de in Zaandam werkzame joodse leraar Simon Roodenburg*. Hertha Poppert-Speier vertelde na de oorlog aan de procureur-fiscaal dat ene heer Wolf, 'Hoofd van de Joodsche Raad', op 16 juli 1942 met zijn vrouw drie kamers bij hen betrok. Het zal zijn gegaan om mr. Leo de Wolff.10

 

Bedrijf

Als nieuwe eigenaar van Dameshoedenfabriek E.C. Poppert werd ene Emil Sturmheit voorzien. Maar op 23 september 1942 verkocht Kroonenberg het bedrijf aan zichzelf via de formele eigenaar, de Niederländische Aktiengesellschaft Abwicklung Unternehmen (NAGU). De koopprijs was 247.500 gulden. Daar bovenop kwam nog belasting, 55.000 gulden voor de goederen, 5.250 gulden voor in Amerika opgeslagen knopen en de voorwaarde dat 'een frontsoldaat op een hoge positie in het bedrijf moet wordt aangesteld'. Later werd de vergoeding voor zijn werk als Verwalter verrekend met de koopprijs. Het contract kreeg in juni 1943 goedkeuring. Erich Karl Poppert was toen al vermoord. Kroonenberg vluchtte op Dolle Dinsdag (5 september 1944), met onbekende bestemming. Hij overleed in december 1947 in Amsterdam. De rechtbank stelde na het vertrek van Kroonenberg boekhouder Simon Duin aan als bewindvoerder.

 

Inval

Op 17 juli 1942 was er een inval van de Gestapo op de Haringvlietstraat.11 Erich wist te ontsnappen naar de schuilplaats, maar Hertha werd meegenomen. Erich vond via de Arnhemse hoedenfabrikant Van Riemsdijk, een van zijn grootste afnemers, een onderduikplek voor zichzelf en zijn dochtertje. Sonja bevond zich nog in een nonnenschool in Bergen,12 vermoedelijk bij de Ursulinnen. Daar werd ze opgehaald, door de vrouw van een timmerman die veel voor de Popperts werkte, en naar haar vader gebracht. De onderduikers werden echter verraden. Erich belandde in Westerbork. De 8-jarige Sonja ontkwam, omdat ze bij de arrestatie van haar vader afscheid zou hebben genomen met de woorden: "Dag mijnheer Poppert", waarna ze het bos in vluchtte. Sonja werd na haar ontsnapping opgenomen door een katholieke familie in Vught.13

 

Erich

Erich kon als strafgeval blijkbaar niet profiteren van de verhoudingen in het kamp, zoals andere Zaanse Duitstaligen dat wel konden. Begin mei 1943 moest hij op transport naar het vernietigingskamp Sobibor. Daar stierf hij op 14 mei, 31 jaar oud.14 Zijn ouders Sigmond Poppert en Olga Poppert-Rauner, zijn zusje Ilse en Olga's moeder Therèse Rauner-Kahn waren al op 3 december 1942 in Auschwitz vergast.

 

Hertha

Hertha Poppert-Speier werd op het hoofdkwartier van de Duitse veiligheidsdiensten en deportatie-instanties in de Amsterdamse Euterpestraat verhoord over illegale activiteiten.15 Die gaf zij toe wat betreft de laatste maanden voor haar arrestatie. Het ging vooral om het verzorgen van cartes d'identité ten behoeve van mensen die Nederland nog wilden verlaten. Zij werkte samen met Wilhelmus Reinier Sassen Clingh, ambtenaar bij het Nederlands consulaat in Brussel. Uit andere gegevens komt de naam van diamantair en advocaat Jeremia Elia Hillesum naar voren. Leo de Wolff werkte als aanvankelijk hoofd van de Expositur ook op het gebied van (legale) joodse emigratie. Twee dagen na haar arrestatie werd Hertha overgebracht naar de gevangenis aan de Amstelveenscheweg. Daar bleef ze ruim een half jaar.

 

Vught

Op 3 maart 1943 moest ze naar het Judendurchgangslager van kamp Vught. Omdat ze aan een zware vorm van ischias leed, lag ze daar de eerste drie weken in de ziekenbarak. Vervolgens vroeg ze werk aan de joodse kampoudste, die haar op de centrale Schreibstube plaatste. Op dit secretariaat viel ze onder de joodse Lagerschreiber dr. A. Lehmann.16 Na vier weken trad een nieuwe Lagerführer aan. Die wilde Hertha niet in het mannenkamp laten werken en gaf opdracht een Schreibstube in te richten alleen voor de vrouwen. Op 17 juni 1943 werd Hertha Poppert overgebracht naar het 'groote' kamp, de afdeling voor politieke gevangenen. Ze zat er op de vrouwenafdeling, het Frauenkonzentrationslager (FKL). Ze moest er aardappelen schillen, stenen slepen en bonen in zakken doen. Het was blijkbaar een straf. Eind augustus moesten Hertha Poppert en twee andere gevangenen voor het Judendurchgangslager een concept-kampverordening uitwerken.17 Haar exemplaar voldeed het best en zo kwam ze begin september 1943 terug in het joodse kamp. In de Schreibstube voor vrouwen werd ze secretaresse onder dr. Lehmann.

 

Philips

Op 15 november 1943 verzocht Hertha voor Philips te mogen werken. Dit werd ingewilligd en zo stond zij als gewone arbeidskracht ruim zeven maanden lang aan de lopende band. De dag dat ze haar verzoek indiende, gingen er 1167 personen op transport naar het Oosten.18 Onder hen bevond zich Hertha's vriend Richard Süsskind, de Lagerälteste van het joodse kamp. Na de oorlog bestreed Hertha tegenover de haar verhorende procureur-fiscaal het bestaan van deze relatie. Het dagboek van David Koker is echter heel duidelijk over deze vriendschap en de grote invloed die Hertha Poppert had tijdens haar verblijf in Vught.19

 

Auschwitz

Op 2 juni 1944 vond het transport van de Philipsgroep naar Auschwitz plaats. Het transport telde bijna vijfhonderd mensen, onder wie 389 vrouwen. De dichte veldwagens kwamen op 6 juni aan in Auschwitz. Door een gesprek met de Lagerführer in Vught was Hertha op de hoogte van hetgeen daar gebeurde met de joden. Er heerste 'apathische radeloosheid'.20 Maar omdat de Philipsgroep een Sondertransport was, werden de nieuwe gevangenen niet geselecteerd voor de gaskamer.21

 

Reichenbach

Hertha zou worden opgeleid tot blokoudste. Op 24 juli werd de groep overgebracht naar Reichenbach (Bielawa) in Boven-Silezië, waar Telefunken een werkkamp had. Hertha kreeg een aandeel in de samenstelling van de groep. In Reichenbach werd ze voorvrouw. Per 2 januari 1945 moesten de gevangenen naar het kamp Sportschule in dezelfde plaats, een uur lopen van de fabriek. Telefunken had daar in 1941 het Reichenbacher fabrieksgebouw van de joodse firma Gebrüder Cohn in bezit genomen.22 Op 18 februari werd de fabriek gebombardeerd en ging de groep op transport naar Porta Westphalica, ten westen van Hannover.

 

Porta Westphalica

Medegevangene Gerda Nothmann schreef hierover: "Wij hebben de eerste vier dagen van dit transport moeten loopen en wel per dag 30 km. door sneeuw en ijs over het Eulengebergte. Na deze 4 dagen werden wij 8 dagen in een oude fabriek ondergebracht, bijna zonder voedsel, en daarna werd het transport in open wagons door sneeuw en hagel voortgezet. Porta Westphalica bereikten wij op 2 of 3 maart 1945."23 De afstand tussen beide steden is ongeveer 600 kilometer. In het nog ongebruikte kamp van Porta Westphalica kreeg de groep begin maart opnieuw werk te verrichten voor Telefunken. Hertha werd Lagerschreiberin.

 

Beendorf

Als gevolg van de nadering van Engelse troepen werden de dwangarbeiders een maand later naar Beendorf verplaatst, een afstand van 170 kilometer. Het vervoer was per trein. Men kwam er op 6 april aan. Beendorf was sinds maart 1944 een buitenkamp van Neuengamme. De nazi's maakten er gebruik van de schachten van een zoutmijn. Er werd onder meer munitie voor de luchtmacht en elektronica voor de V1 en V2 geproduceerd. Vooral de vrouwelijke gevangenen werkten voor oorlogsproductie, zes dagen per week, twaalf uur per dag. Op 25 maart bevonden zich er ruim tweeduizend vrouwen en 750 mannen.24 Het sterftecijfer was er hoog.

 

Transport

Al na vier dagen moest de Philipsgroep weg, net als alle andere gevangenen. Op 10 april werd namelijk ook Beendorf geëvacueerd en begon het transport naar Hamburg-Eidelstadt, 250 km noordelijker. De Philipsgroep ging op in de massa van drieduizend vrouwen die in veertig open en dichte goederenwagons werden geladen. In deze mensenmassa bevonden zich ook groepen criminele gevangenen. Deze werden door de Duitse bewakers aangespoord om joden te doden.25

 

Doden

Tijdens haar naoorlogse verhoor vertelde Hertha Poppert dat ze opdracht kreeg om 'de appèlcijfers vast te stellen'. Het betekende dat zij 'iedere ochtend vroeg moest opstaan om de nummers van de dooden op te schrijven'. Het lukte haar tijdens de uren dat het transport stilstond 200-250 vrouwen van de Philipsgroep te verzamelen en in twee wagons bij elkaar brengen. Dat was belangrijk: "In onze wagon werd niet gemoord." In andere wagons zaten veel meer vrouwen, oplopend tot 160. Op de zevende dag van het transport bracht Hertha een derde, gedeeltelijk Hollandse groep, in één wagon. Het transport, dat op 21 of 22 april aankwam, was erg gewelddadig: "Gedurende dit transport zijn 93 vrouwen vermoord of gestorven."

 

Eidelstadt

Hamburg-Eidelstadt was een werkkamp waar volgens Amerikaanse documenten de Reichsbahn dwangarbeiders inzette.26 In Eidelstadt moest Hertha opnieuw de appèllijsten samenstellen. Het was de laatste week van haar gevangenschap 'en mijn werkzaamheden liepen af'. Volgens medegevangene Gerda Nothmann was de groep door Hertha Poppert bij Eidelstadt uit de trein gehaald, omdat een vroegere Duitse minnaar uit kamp Vught haar had herkend. In het laatste kamp moesten de Philipsvrouwen greppels graven.

 

Zweden

Op 2 mei 1945 werd de Philipsgroep in Pattborg (Denemarken) overgedragen aan het Zweedse Rode Kruis. Hertha Poppert overleefde alle ontberingen en kwam vanuit Zweden terug naar Zaandam. Het In Memoriam-boek geeft Hertha ten onrechte op als 'vermist'. Peter Heere rekent haar abusievelijk bij degenen die in mei 1945 opdoken uit hun onderduikplek.27

 

Sonja

Sonja werd door dienstmeisje Sientje Blij en haar zuster Betty opgehaald bij haar gastgezin in Vught en met haar moeder herenigd.28

 

Verwanten

Erichs ouders Sigmond Poppert en Olga Poppert-Rauner en zijn zuster Ilse werden op 3 december 1942 in Auschwitz door vergassing om het leven gebracht. Zijn broer Walter onderging op 31 oktober 1943 hetzelfde lot in Sobibor. Diens vrouw Gertrud Schönborn eveneens, op 30 november van dat jaar.

 

Verhoor

Hertha werd na de bevrijding verdacht van samenwerking met de vijand en op 18 februari 1946 verhoord door de procureur-fiscaal te Amsterdam.29 Het verslag dateert van een jaar later. Welk oordeel daarop volgde, is niet bekend. Hertha Poppert werd er, getuige de stukken van de procureur-fiscaal, van beschuldigd het in allerlei situaties ten eigen bate te hebben aangelegd met Duitse superieuren. Door een deel van haar Nederlandse medegevangenen werd zij verantwoordelijk gehouden voor de dood van enkelen van hun groep, vanwege het voortrekken van de Philips-vrouwen. In de fabriek te Zaandam ging het verhaal dat Hertha buiten kamp Vught was gezien met Duitse officieren.

 

Beoordelingen

In het boek Het Philips-Kommando in Kamp Vught wordt relatief veel en nogal negatieve aandacht besteed aan Hertha's verhouding met Richard Süsskind, de joodse kampleider. David Koker beschrijft deze verhouding en haar algehele optreden een stuk genuanceerder op verschillende plaatsen in zijn Dagboek geschreven in Vught. Hij noemt Hertha een 'Dostojewski-karakter'. Gerda Nothmann schrijft in haar Engelse manuscript: "So, in the end, I owe my life in part to a very altruistic prostitute."

 

Vervolg

Na de oorlog hertrouwde Hertha met een hoedenfabrikant uit Brussel, de heer Roger Boudin. Ze bleef eigenaresse van de fabriek en enkele huizen te Zaandam, ondanks het feit dat ze met haar man en dochter in Brussel ging wonen. Hun dienstmeisje Sientje Blij ging mee. Ze werd hoofd van de huishouding. Betty Blij was er ook enkele jaren in dienst. Uit het huwelijk kwam een tweede dochter voort, Eveline. Hertha Boudin-Speier benoemde Moritz Gottschalk* tot directeur van Dameshoedenfabriek E.C. Poppert. Rond 1958 kwam het tot een scheiding tussen Hertha en Roger. De laatste kocht de fabriek, die in 1966 werd opgeheven. De dertig personeelsleden gingen over naar hoedenfabriek Eurokat, een filiaal van dameshoedenfabriek Wilhelm Baumann uit Gross-Gerau.

 

Engeland

Hertha Speier hertrouwde met de heer Massy, met wie zij in Engeland woonde. Zij verbleef het grootste deel van het jaar aan de Rivièra, waar ze in 1991 ook overleed. Ze is begraven in een buitenwijk van Cannes, Le Cannet-Rocheville. Sonja Poppert trouwde en verhuisde naar Frankrijk.

 

Stolperstein

In Hertha's geboorteplaats Fritzlar is in het trottoir voor het laatste huis waar zij woonde een zogenaamde Stolperstein aangebracht. Deze uit messing gemaakte 'stenen des aanstoots' worden sinds 1997 op initiatief van kunstenaar Gunter Demnig neergelegd voor de laatste zelfgekozen woning van nazi-slachtoffers. Eind 2006 lagen er ongeveer negenduizend stenen verspreid over 190 Duitse gemeenten. De tekst voor het huis Giessener Strasse 25 in Fritzlar luidt: "Hier wohnte/Hertha Speier/JG 1913/Deportiert/ Auschwitz/Überlebt."

 

1 Aufstellung nr. 68 (Nederlander - 3 pers.; doorgestreept); Evacuatierapporten; H4; H6; H8-9; G27 (sterfdatum Erich Poppert nog 1 mei 1943); Gezinskaart; Het Joodsche Weekblad (5-12-1941); Mededelingen van G. Klitsie (1998-1999). Hij kwam in 1937 op 14-jarige leeftijd bij Poppert in dienst; Mededelingen van Dieuwke Grijpma (augustus 2003) en via dezelfde: Verhoor door de procureur-fiscaal op 18-2-1946 (Nationaal Archief, CABR. G9573, inventarisnummer 107675); Brief commissaris van politie Zaandam aan Generalkonsulat BRD (7-2-1963) in Gemeentearchief Zaanstad; Informatie van Henk Krigee uit Zaandam (13-4-2010) en Ellen M. Goudsmit uit Londen (april 2010); Dagblad voor Noordholland (14/15-1-1942)

2 Brief van Sonja Oliver-Poppert (5-9-1999); Kuyt, Th. en Bart, G. Van Papenpad tot Oostzijde (p. 46)

3 H4

4 Bevestigd door Ageeth Scherphuis (april 1999)

5 Dinkelberg, J.J. (samensteller) 50 jaren Zaanstreek (en nog ver daarvoor) (p. 209)

6 In Wormerveer woonde een familie Cardozo-Morpurgo [279-3], met zoon Isaac; mogelijk gaat het om hem

7 Mededeling van Lies Uhl-Dijkstra (1998)

8 GAZ, SA Zaandam 175

9 NIOD, Archief ondernemingen (Zaandam)

10 Presser, o.c. I (p. 270 e.v., 326, 464). In de beginperiode was mr. De Wolff hoofd van de Expositur, als voorganger van dr. Sluzker, en bezig met legale joodse emigratie

11 Verhoor door de procureur-fiscaal

12 Mededeling van Dieuwke Grijpma (april 2004)

13 Ibidem. Zij weerspreekt de lezing in H9 dat Sonja in onderduik werd gegeven bij de katholieke Zusters van Jesus, Maria en Joseph (JMJ) aan de Zaandamse Oostzijde

14 Commissaris van politie te Zaandam (1963). Het Joods Monument heeft nog de datum 1 mei 1943; www.ogs.nl heeft 14 mei overgenomen

15 Verhoor door de procureur-fiscaal

16 Portretten van Lehmann en Süsskind bij Presser II (p. 387-388)

17 Vergelijk Presser, o.c. II (p. 387)

18 Presser (p. 402-403)

19 Koker, D. Dagboek geschreven in Vught (p. 64, 161-166, 187, 198, 206-207)

20 Verhoor door de procureur-fiscaal

21 Presser, o.c. (p. 403-404)

22 www.langenbielau.de

23 Engels manuscript G. Nothmann, Philipscommando, collectie kamp Vught

24 www.ok.shuttle.de/ok/stein-gym/kz-beend.htm

25 Manuscript G. Nothmann

26 www.nyed.uscourts.gov/pub/rulings/cv/1996 /667202.pdf

27 H9

28 Mededeling van Dieuwke Grijpma (april 2004)

29 Klein, P.W. en Kamp, J. van de Het Philips-Kommando in Kamp Vught, o.c. (p. 206); Manuscript G. Nothmann (p. 13)

 


Laatste bewerkingsdatum: 2010-06-06


Stolperstein voor Hertha Speier in Fritzlar, Giessener Strasse 25 (foto Pim Ligtvoet)


De hoedenfabriek van Erich Poppert in de Bootenmakersstraat (uit: 50 Jaren Zaanstreek)

 

19 januari 1942

Omdat Erich Karl Poppert de Nederlandse nationaliteit bezit, hoeft hij in januari 1942 niet naar Westerbork. Dat geldt ook voor zijn vrouw en dochter. De naam Poppert, met daarachter drie personen, is de enige van de basislijst die wordt doorgestreept. Even opvallend is dat noch op de lijsten met bedrijfs- en huizenbezitters, noch in de politierapporten de naam Poppert voorkomt. Het gezin gaat, onvermijdelijk in overleg met de autoriteiten, eerder naar Amsterdam, met voorlopig behoud van het fabriekscontact. Erichs ouders, Sigmond Poppert en Olga Poppert-Rauner en zijn zuster Ilse wonen op dat moment bij hem in en verhuizen mee.

Hertha Poppert-Speier zegt in haar verhoor bij de procureur-fiscaal (februari 1946) dat zij in januari 1942 'verplicht' naar Amsterdam moest verhuizen. Maar de commissaris van politie van Zaandam schrijft in 1963 dat het gezin vijf dagen voor de officiële 'evacuatie' officieel naar Amsterdam is verhuisd. Dat is dan op 12 januari 1942 gebeurd. Dit kan uiteraard wel verplicht zijn geweest.

Wonderlijk is dat volgens de basislijst van januari 1942 Emma Juchenheim-Steinberg* de Bootenmakersstraat 68 als adres heeft. Zij woont feitelijk bij haar dochter op nummer 108. Uit de politierapporten van 17 januari komt verder naar voren dat ook Engeltje Vet-Weinberg* van de Vinkenstraat korte tijd bij Poppert zou hebben gewoond. Daar lijkt geen reden voor te zijn geweest. Mogelijk verwart men een aantal Duits klinkende namen met elkaar. In beide gevallen staat over het gezin Poppert echter: "Al eerder verhuisd." Wanneer zij ook vertrekken, het echtpaar Poppert-Speier is de groepsevacuatie te snel af en behoort vermoedelijk tot de weinigen die op voorhand afweten van de maatregel. Het ligt voor de hand een verband te leggen met de onderhandelingen over overname en verkoop van het bedrijf.